Stamboom familie Pleijsier

Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika

Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika

Vrouwelijk 1880 - 1950  (70 jaar)

Persoonlijke informatie    |    Media    |    Bronnen    |    Gebeurteniskaart    |    Alles    |    PDF

  • Naam Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika 
    Roepnaam Johanna 
    Geboren 30 jan 1880  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Aangifte geboorte te Den Haag
    Aangifte geboorte te Den Haag
    Kinderen Verbeek Wolthuijs
    Geboorteakte Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Geboorteakte Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Geslacht Vrouwelijk 
    Beroep Gouvernante, voor het huwelijk met Johannes Pleijsier 
    Beroep van 01 apr 1924 tot 01 mei 1940 
    Kosteres en begrafenisondernemer na het overlijden van Johannes 
    Overleden 03 feb 1950  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  [1
    Oorzaak: Diabetes, hersentrombose 
    • Hoogst merkwaardig is dit sterven, op dezelfde datum als 26 jaar eerder haar man!
      Een zwaar door het lot beproefde vrouw en moeder.
      Aangegeven door Gerrit Jong (42) en Jan Timp (57) boden te 's-Gravenhage.
    Rouwbrief  Johanna Hendrika Verbeek Wolthuis
    Rouwbrief JH Pleijsier Verbeek Wolthuys
    Overlijdensakte Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Overlijdensakte Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Aangifte door Jan Casteelen.
    Leeftijd 70 jaar 
    Begraven 07 feb 1950  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    • Graf ll 1761, 12:45 uur, het graf is in 2009 geruimd.
    Map Nieuw Eykenduynen te Den Haag
    Map Nieuw Eykenduynen te Den Haag
    Familiegraf Verbeek Wolthuijs. <br>
Graf II-1761, het graf is in 2009 geruimd.
    Familiegraf Verbeek Wolthuijs.
    Graf II-1761, het graf is in 2009 geruimd.

    Aantekeningen 
    • Afscheid van
      Mevrouw J.H. Pleijsier-Verbeek Wolthuijs
      als kosteres van de
      Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente
      te 's-Gravenhage op 3 mei 1940
      Onder de tonen der orgelmuziek wordt de kosteres binnen geleid in het kerkgebouw, waar de heer Ds Graef spreekt:
      "Mevrouw Pleijsier, daar heb ik U zooeven hier binnen geleid in deze kerkzaal, die kerkzaal, die nu reeds zoo vele, vele jaren in het centrum van Uw belangstelling stond; het orgel werd bespeeld, dat orgel, dat U duizenden en duizenden malen hebt gehoord. Nu is het echter Uw zoon, die er voor zit,
      en die tracht de schoonste klanken aan het oude instrument te ontlokken.En Ge hebt bemerkt, dat toen Ge binnen kwaamt, alle aanwezigen van hun zitplaatsen zijn opgestaan als een stille hulde voor U, die al die jaren hier de dienares bent geweest, zoo als ook deze heele avond niets anders eisen niets anders bedoelt te zijn dan een doorloopende hulde aan U, die zoo lang, zoo heel lang hier geweest zijt.
      Nu is er een commissie benoemd om dezen avond voor te bereiden, en de kerkenraad van deze gemeente is zoo vriendelijk geweest mij te vragen om voorzitter van die commissie te zijn en leiding aan het werk te geven.
      Ik behoef U wel niet te zeggen, dat ik dat met groot genoegen heb aanvaard, want, nietwaar Mevrouw Pleijsier, ik mag er mij wel op beroemen een van Uw oudste vrienden te zijn die hier aanwezig zijn. Toen in 1904 de vorige koster stierf, werd de Heer Pleijsier benoemd tot zijn opvolger, hij was geen onbekende in onze gemeente, want reeds een tijd te voren had hij vaak als hulp-koster dienst gedaan, maar hij was nog maar nauwelijks aan het werk, of het bleek dat het bestuur een zeer gelukkige keus had gedaan. Kort daarna werd ikzelf tot bestuurder benoemd, iets later werd mijde functie van kerkvoogd toegewezen en als zoodanig ben ik in nauwe aanraking met Uw man gekomen.
      Ik ben hem toen zeer gaan waarderen als zijnde een bekwaam vakman, een man met veel smaak, die een bepaalde leiding wist te geven, een man tenslotte die in groote mate ons vertrouwen verdiende. Wij hebben heel wat samen overlegd en heel wat samen gedaan.
      Door den groei der gemeente moest voortdurend ruimte gewonnen worden, om maar een voorbeeld te noemen: een vergrooting werd noodig van de bestuurskamer, en de oplossing werd gevonden dat een van de huizen in de Laan zou worden aangekocht, en de Familie Pleijsier, nu ja, die moest dan maar opgeborgen worden op de bovenkamers.
      Met U, Mevrouw Pleijsier, ben ik ook al heel gauw in contact gekomen, den weg de trap op naar boven wist ik al gauw te vinden, het kopje koffie smaakte daar altijd even goed, en bovendien: wij hebben veel samen gepraat. Ik heb Uw gezin zien groeien, ik heb U gadegeslagen in Uw werk, en ik heb, ik mag dat nu wel eens uitspreken, altijd veel bewondering gehad voor de wijze, waarop Ge Uw taak in Uw gezin hebt kunnen samenvoegen met Uw werk voor de kerk.
      Gij hebt hier veel liefs ondervonden, ook veel leed. In dat lief heb ik dikwijls met U mogen deelen. Het is nog niet lang geleden dat ik een brief heb geschreven waarin ik daarvoor verschillende voorbeelden heb genoemd en er op gewezen, hoe goed ik met U en anderen heb samengewerkt. En nu is het einde daarvan aangebroken. Nu gaat U heen. U is op de leeftijd gekomen, zoals men dat noemt, en U is eervol ontslagen. Het is nog geen drie dagen geleden dat U een aller gezelligste avond in mijn huis doorbracht; wij hebben toen vele herinneringen uit vroeger tijden opgehaald, en smakelijk hebben gelachen om allerlei malle en zonderlinge figuren, die zich in den loop der tijden hebben voorgedaan. U hebt toen ook gezegd, dat U het iets weemoedig vond, deze afscheidsavond, en ook wel moeilijk zelfs. Ik kan mij dat levendig voorstellen, want als men werk heeft, en liefde voor dat werk, zooals U met een groote liefde en zeldzame toewijding dat werk heeft gedaan, zoodat het is, zooals Uzelf het uitdrukte, dat U e
      Ja, zeker, als iemand hard gewerkt heeft, is het moelijk de rust in te gaan. Maar toch zult U met mij moeten instemmen, met mij als ouderen man die al anderhalf jaar ondervinding heeft in het niets-doen, in de taak van het gepensioneerd zijn, zeker, het is moeilijk, maar er staan ook ontzaglijke rijke dingen tegenover, en daarvan is wel een der voornaamste de vrijheid, de vrijheid om over zijn eigen taak te kunnen beschikken, over den eigen tijd. Ik heb U zoo lang gekend, en U is nu zoogenaamd op de leeftijd om gepensioneerd te worden, maar als ik U zoo aanzien, nog altijd even jeugdig, die glimlach gaat nog helemaal niet van Uw gezicht af,en Uw guitige, ik durf niet zeggen ondeugende oogen stralen nog altijdom links en recht knikjes uit te deelen, dan zeg ik: Mevrouw Pleijsier,ik voorspel U nog een heel gelukkigen tijd. U hebt liefhebberijen, en die kunt U nu zooveel als U wilt volgen. U zult wel degelijk het verschil weten tusschen hard werken en met zijn duimen draaien. Dat duimen-draaien komt
      De commissie, waarover ik zoo juist sprak, heeft zich niet alleen bepaald tot het voorbereiden van dezen avond, zij heeft de vrijheid genomen een beroep te doen op de heele gemeente en haar te vragen een kleine bijdrage te vragen. Ik ben de kassier geweest, ik heb alle antwoorden ontvangen, en ik kan U zeggen: ik heb het druk gehad, maar het was roerend om te zien dat zooveel bedragjes zijn binnen gekomen. Daar onder waren zelfs twee postzegels van vijf cent, vergezeld van een brief van een dame. Als regel leest men den brief van een dame aan een andere vrouw niet voor, en ik zal dat nu ook niet doen, maar daaruit sprak een groote genegenheid voor U.
      Toen deed zich de vraag voor, wat wij daarmee nu moesten doen, en de beantwoording van die vraag was heel moeilijk, en wij kenden U, en wisten, dat als U dat geld in handen krijgt het misschien een bestemming zou krijgen die U misschien zou voldoen, maar niet met onze bedoeling overeenstemt.
      Wij zullen hier niet alle namen noemen, maar wel hebben wij de kaartjes van al degenen, die hebben bijgedragen, het zijn er zeven honderd, en die zeven honderd kaartjes zitten in dit album, dat ik U hierbij aanbied, en dat Ge thuis maar eens rustig moet bekijken. Ge zult er prettige uren mee beleven.
      En nu komt er nog wat. Gij zijt Uw huis gaan inrichten, en zoo hebben wij dan ook met U overlegd, dat een gedeelte van dat geld zou worden gebruikt voor de inrichtingskosten van Uw huis, maar wij wilden U toch ook een blijvend aandenken geven, een speciaal voorwerp, dat U zou blijven spreken van de waardering van Uw kerk, en wij hebben dat gevonden: ik weet, dat U heel veel van Perzisch houdt, en zoo kozen wij voor U een perzischkleed voor Uw huiskamer.
      En nu heb ik niets meer te zeggen, ik wensch U het beste toe--misschien zal ik in den loop van den avond nog wel iets zeggen, maar voor het oogenblik ben ik uitgepraat."
      Dan zingt een groep jongeren de Cantate "De Schoonste Feestdag" van Catherina van Rennes (Oma's lievelingslied-AP), in de volgende zetting:
      Komt allen samen en laat ons probeeren
      Blij te zijn nu 't afscheid slaat.
      Wij willen roemen, wij willen eeren
      Haar, die ons verlaten gaat.
      "Zij ons verlaten?"--wat een gedachte,
      Zij blijft met ons, zoo lang zij leeft.
      Laat ons haar roemen, zeg het met bloemen,
      Dubbel geeft, wie blijde geeft.
      Laat ons allen eens bedenken
      Hoe zij zich aan ons vertoont,
      Laat ons dan die bloemen schenken
      Waar voor ons haar beeld in woont.
      Laat ons herdenken 'n leven, toegewijd en sterk,
      Laat ons danken Hem, die kracht gaf voor haar werk.
      Wij zochten geeltjes uit de wei,
      Wij zochten zoentjes van de Mei,
      Met volle mandjes, met volle handjes,
      Brengen wij, o zoo blij, zoentjes van de Mei.
      Wij plukten blauw vergeet-mij-niet
      En groote roode rozen,
      En wieglende pluimen van bloeiend riet,
      En asters die eventjes blozen,
      Wij, geurende, zachte reseda,
      En glanzend witte stellaria.
      Bloemen vol geuren, bloemen vol kleuren,
      Bloemen, groot en klein,
      Allen zult gij welkom zijn,
      Ja, welkom zijn.
      Wij zijn er langs velden en tuinen gegaan,
      De stormwind huilde verwoed,
      Hij sleurde en slierde de dorrende blaan,
      En trapte ze onder den voet.
      De lentebloemen zijn henen, de zomerbloemen verdwenen,
      De winter gilde zijn groet.
      Wij zijn naar het altijd groen bosch gegaan,
      En huilde de stormwind verwoed,
      En greep hij de krachtigste takken aan,
      De groene kaarsen, zij bleven staan,
      En roepen met vroolijken moed:
      "Laat stormen, laat loeien, laat plassen
      Te schooner blijven wij wassen,
      Als alles, wat waar is en goed."
      Blauwgroene denne, schenk ons Uw twijgen,
      Opwaarts zij stijgen, waardig en schoon,
      Zeegnende sparre, leen ons Uw loten,
      Krachtig ontsproten, een geurenbron.
      Gij slechts zijt waardig het feest te bekronen,
      Gij kunt ons toonen het lieflijkste beeld,
      't Beeld van een leven, rijk door het streven,
      Rijk door 't zich geven, rijk en vereeld.
      Zeegnende sparre, schenk ons Uw loten,
      Geurig ontsproten, buig voor voor haar voet,
      Blauwgroene denne, leen ons Uw twijgen,
      Breng, waar wij zwijgen, naar onzen groet.
      "Komt, vragen wij op stillen toon
      Dat Godes liefde bij haar woon."
      De Heere zeegne en behoede U,
      De Heer doe Zijn aanschijn over U lichten
      en geve U vrede.
      De Heer zal Uwen uitgang en ingang bewaren,
      Van nu aan tot in alle eeuwigheid.
      Amen
      Dan spreekt Ds. Kleijn:
      "Mevrouw Pleijsier, wij knikken elkaar van avond als van ouds nog eens vriendelijk toe, en U moet wel het gevoel hebben, dat vanavond de dingenop hun kop staan. Want U hebt als kind gezongen in een Cantate, en nooit gedroomd, dat eenmaal deze Cantate ook voor U zouden worden gezonden. Toch is dat gebeurd.
      U hebt tallooze malen die mooie trouwstoelen hier klaar gezet, en nooit gedacht, dat U daar ook nog eens op een avond als jubilaresse in zoudt zitten, en toch is dat gebeurd. U hebt talloze malen de dominee hooren preken, ook wel vanaf dit podium, maar U hebt nooit gedroomd dat voor U alleen nog eens een dominee op dat podium zou verschijnen, en toch is het gebeurd.
      U hebt nooit gedacht dat U op dezen leeftijd aan Uw rust zoudt komen, als het aan U was geweest te beslissen zoudt U zijn door gezeild tot U aan die haven was gekomen waaruit geen schip wederkeert--toch is dit niet gebeurd. En daarom zijn wij vanavond buitengewoon blij dat wij van U en vanUw werk afscheid mogen nemen op deze plaats.
      En nu mag ik een kort woord, want alle verdere woorden moeten kort zijn,tot U zeggen. Dat wordt een beetje moeilijk, want ik heb net zoo'n gevoel als U: daar ligt wat moois, daar ligt ook wat weemoedigs in.
      En nu praat ik maar uit de herinnering. Daar is een goede herinnering, waar ik iets goeds van mag zeggen, maar meestal is het de taak van een dominee, om iemand niet op zijn deugden, maar op zijn zonden te wijzen. Maar dit is zoo'n rare avond, ook dat gebeurt niet. Dus het gaat hier alleen maar om de deugden, dat is een zeer onchristelijk werk, maar er zijn christenen, die er tegen kunnen, en ik geloof, tot die christenen behoort U.
      Ik moet een woord zeggen namens de predikanten van deze gemeente, en het kan niet anders, of het is toch een persoonlijk woord, zooals, wanneer Dr. Fetter of Ds. Wiardi Beckman hier stonden, het ook een persoonlijk woord zou zijn geworden, en ik kan dat doen in de overtuiging, dat mijn collega's daar volkomen mee instemmen. En zoo zal het dan niet anders zijn dan een woord van echt dankbare waardering en tegelijkertijd ook van bewondering voor het feit dat U altijd een goed humeur hebt weten te bewaren in den omgang met zulke onpractische, idealistische, vergeetachtige menschen als predikanten wel zijn. En daarom zeg ik U: wij zijn dankbaar, datwij U hier zoo lang mochten hebben. Toen ik hier kwam, waart Gij in deze gemeente wegwijs op een wijze, die eenvoudig eerbiedwekkend was, Gij waart een vraagbaak, die altijd klaar stond, en ook altijd kon helpen een uitweg te vinden. In moeilijkheden een klein telefoontje, en dan wist ik al aan den klank van Uw stem dat er bij mij iets niet in orde was. U had
      En zoo zou ik telkens kunnen grijpen naar allerlei herinneringen. Ik zal dat niet doen, ik zal alleen dit zeggen: Gij zijt met de gemeente meegegroeid. Zoolang ik deze gemeente ken, en dat is lang zoo lang niet als U,en zeker zoo lang niet als de heer De Graef, maar ik heb toch deze kerk nog gekend met die potkachels, die wanneer wij drie kwartier aan den gang waren in eens een plof gaven, omdat zij ontspanden vanwege de afkoeling.De centrale verwarming is sindsdien gekomen. Gij hebt, en Uw man heeft dat ook gedaan, de dominees opgewacht om zijn fiets in ontvangst te nemen--er zijn auto's gekomen. Ge zijt zoo verstandig geweest om nooit het portier voor een dominee open te doen, noch om de auto aan te nemen maar dat bewijst wel, wat ook al door den voorzitter is gezegd, dat deze kerk langzamerhand meer werd een uitvliegtoren dan een rustige plek, waar men ook nog eens een uur kon werken, omdat heen en weer trekken met de fiets ofde tram niet meer ging. Gij hebt veel zien veranderen hier, maar altijd
      Ik meen dat toen ik hier kwam deze gemeente nog geen 1700 leden had, maar ik meen me te herinneren dat U die allen kende, behalve de papieren leden, en die kende U bij tijden toch ook. En nu is deze gemeente zoo sterk uitgegroeid dat het bestuur zich vrij vaak met een zekere zorg afvroeg: hoe zit dat nu eigenlijk, van den ochtend tot den avond is zij op de been, vaak werd tot twaalf uur, half een vergaderd, en U zat daar toch met dezelfde blozende kleur, met dezelfde wijze van doen, om ons goeden nacht te wenschen. Met andere woorden: U hebt op onbegrijpelijke wijze, volhardend en toch zonder eenigen druk uit te oefenen aldoor Uw werk gedaan, dat in deze gemeente voorkwam, en ik ben er blij om, dat in den kring van het bestuur het begrip is opgekomen om te zeggen: als zij dan niet wil ophouden, dan zullen wij ervoor zorgen, dat ze kan ophouden, en als dat het geval is, kunnen wij haar ook gebieden op te houden, opdat zij nog van de rust kan genieten, die wij allen haar zoo van harte toewenschen.
      Daarmee bedoel ik dit. De Heer De Graef zei over Uw werk dat U altijd Uw plaatst wist, ik zou het liever zoo willen zeggen, dat Ge behoort tot degenen, die naast de bekwaamheid tot veel werk altijd een goed grensgevoel hebben, waardoor Ge dit schoone werk kondt volbrengen, zoodat Ge, in het practische leven staande en daarin medewerkende, toch ook de geestelijke zijde van het werk hebt bevorderd, en daarnaast, zonder dat iemand het merkte, toebehoorde aan Uw gezin, waarin de niet altijd even gemakkelijke jongens toch zoo nauw in Uw hart sloot, dat Uw oudste zoon met vreugde met zijn vrienden en vriendinnen vanavond deze Cantate heeft gezongen, dat een andere jongen van U vanmorgen voor de eerste maal een huwelijk heeft verzorgd, en op hem het vertrouwen, dat wij in U stelden, is overgegaan, dat een andere zoon, wiens gedachten vanavond stellig hier zijn, met groote wilskracht en goed werk in de maatschappij heeft kunnen ontwikkelen, en dat Uw jongste zoon, en dat zegt veel, ook vanavond voor U heeft
      Nu zeg ik niets meer over de verhouding koster-dominee en dominees-koster, dat zijn beruchte verhoudingen, die altijd welkome stof geven voor de kerkdienstenredactie van de NRC, maar wat ik op het oogenblik tot U te zeggen heb is dit: wij hebben niets meer te zeggen over de verhouding tusschen U en de predikanten, het is niet noodig om die nader aan te duiden.Ik wil alleen dit zeggen, dat wij U dankbaar zijn en dat wij hopen, dat U nog menig jaar tegenwoordig zult zijn, jaren, waarin voor U die rijpe levensvrucht tot deel wordt, die verzoening heet, en vrede.
      Mevrouw Pleijsier, wij knikken nog eens tegen elkaar in deze kerk, en ik geef U een zeer hartelijke hand. Maar vanavond mag men niet met leege handen komen, de dominees vormen een deel van het bestuur, en het bestuur heeft gedacht: zij moet, als zij den dag begint, aan den kerkenraad denken,en daarom heb ik hier voor mij liggen--ik heb het niet uitgepakt, hoewel dat de wensch van sommigen was, maar ik houd van het geheim, een specimen van een ontbijtservies. Thans kan ik U dit geven en van ganscher harte afscheid nemen."
      Mevrouw Weernink Drost spreekt dan:
      "Ik meen wel te mogen zeggen, Mevrouw Pleijsier, op welk een prettige wijze de samenwerking van U met het College van Collectanten altijd heeft plaats gehad, en wij hebben gemeend U heel hartelijk dank te moeten zeggen voor alle samenwerking en medewerking, die wij al die jaren van U hebben gehad.
      Wij hebben ook gemeend U een stoffelijk blijk van waardering te moeten geven, U weet al, waaruit dat stoffelijk blijk bestaat. Maar ik wil U ook nog namens de collectanten danken voor de laatste daad, die Ge voor hen hebt gedaan: een nieuwe bijdrage sturen voor het fonds van de nieuwe kerk. Wij hopen, dat deze daar baat bij zal hebben."
      Mevrouw A.W. Bruggeman:
      "Mevrouw Pleijsier, als ik U zoo zie zitten, waar ik U eigenlijk nooit meer zal zien zitten, in het kleine hokje, waar ik U zooveel jaren achtereen aantrof, zelfs reeds in de jaren toen ik als kind catechisante was, vond ik U achter de deur, en ook daarna in de jaren, toen ik gewoon lid van de kerk was, geeft dat iets van weemoed. Toen ben ik hier in verschillende bestuursfuncties werkzaam geweest, en daardoor heb ik U van een heel anderen kant leeren kennen, ik ben dikwijls het kleine deurtje in de Jan Hendrikstraat binnen gekomen, en eigenlijk altijd zag ik Uw vriendelijk gezicht achter het raampje van het kantoor. En zoo heb ik dan in verschillende functies altijd Uw bereidwilligheid bemerkt, en Uw bereidheid om te helpen, waar U helpen kon. En daarom doet het mij genoegen, dat ik vanavond in een van die functies tot U mag spreken, en wel als Voorzitster van Hulp in Nood. Toen U hier als kosteres kwaamt, bestond Hulp in Nood nog niet, want Hulp in Nood bestaat nog maar kort, dat bestaat, naar ik
      Wanneer er een bazar was, was dikwijls de meest origineele gave voor de bazar, eens zelfs een miniatuur van den bouw van de kerk, van U. Daaruit blijkt wel, dat Ge ook altijd achter het werk voor bazars en dergelijke hebt gestaan, een bewijs ook, hoe Uw hart altijd was om en in en bij de kerk.
      Maar het voornaamste moet ik werkelijk nog zeggen, en dat is Uw medeleven met de menschen, die bij Hulp in Nood met hun moeilijkheden aankwamen, en dat is misschien wel het voornaamste geweest van alles, wat U voor ons hebt gedaan. Al die menschen, die hier kwamen, kenden U, en er zijner die dikwijls kwamen, en in het groote, wat U voor al die menschen doet, is wel, heel bijzonder, dat U belang in hen bleek te stellen en Uw kamers openstelde voor degenen, die hun leed ter kennis van de commissie brachten. Ik weet, dat zij er dikwijls aan terug dachten wat een heerlijke uren zij met U samen hadden in die kamers achter de kerk, en ik weet, dat U daarin een groot aandeel hebt gehad. En daarom geloof ik, dat ik U mag bedanken uit naam van al degenen, die hier aanklopten.
      En dan denk ik ook tegelijk nog aan al die kopjes thee, die U voor ons geschonken hebt. Het heeft mij vaak verwonderd, maar wanneer wij ook kwamen, voor een bazar of voor onverschillig wat anders ook, U hadt altijd thee, en ook in de vergaderingen van het dagelijksch bestuur kwam U dikwijls binnenloopen met even een kopje thee of koffie.
      Nu weten wij, dat een van Uw wenschen was een theepot, en gezien al die kopjes thee, die U voor iedereen geschonken hebt, kreeg dit geschenk voor ons zelfs een symbolische beteekenis. Ik wensch U toe, dat U daaruit nog menig kopje thee zulk kunnen schenken voor Uzelf en voor de leden van Hulp in Nood in Uw eigen huis.
      Om al deze redenen ben ik erg blij, dat ik hier nu een woordje zeggen mag. Vijf en twintig jaar geleden werd het blaadje Van Maand tot Maand onder mijn administratie gebracht, en altijd heeft U ervoor klaar gestaan. Een Zaterdagavond in de maand zetelde hier de commissie, dat wist U, maar hoe dikwijls is het niet gebeurd, dat ik zei: Mevrouw Pleijsier, nu zit ik met een puzzel, waar ik niet uit kom, en altijd wist U raad, en altijd bracht U het in orde. Hoe dikwijls dat is gebeurd, zal ik maar niet verklappen. Maar ook voor dien, toen ik hier pas kwam en nog een meisje was op de catechisatie met twee vlechten, altijd was U even vriendelijk.En niet alleen dat U altijd klaar stond voor de administratie van het maandblad, maar Uw zorg strekte zich ook uit over de redactie. Nooit kwam deze bijeen, of het koffie- of theewater stond klaar, het zong al in de ketel. En toen wij er in het najaar over gesproken hebben, hoe dat nu moest, of U wel suiker hadt, U weet wel, dat is tegenwoordig het onderwerp va
      Ja, inderdaad, U had altijd een voorraadje, een voorraadje van vriendelijkheid, van hulpvaardigheid, van goed humeur, en niet alleen, dat U dat voorraadje had, maar U was altijd bereid ons allen daarin te laten deelen, en wij hebben allen van dat voorraadje geprofiteerd. Daarvoor zijn wij U dankbaar, en daarom zullen wij U missen, als U er niet meer is, nu de tijd is gekomen, wat voor een vrouw ook zijn bekoring heeft, dat zij zich heelemaal mag gaan wijden aan haar eigen werk, aan haar eigen dingen.
      Van Maand tot Maand heeft U een kleine herinnering aan te bieden, ter verfraaiing van Uw huiselijk haard, en ik hoop van harte, dat U er nog langvan moogt genieten."
      Dan zegt Mejuffrouw Hagedoorn eenige vriendelijke woorden, die helaas door de stenografe niet konden worden verstaan, waarna in de pauze de aanwezigen Mevrouw Pleijsier de hand gaan drukken.
      Na de pauze is het woord aan de jeugd, die de volgende trioloog uitspreekt:
      Tot nu toe waren de ouderen aan het woord,
      Van de Jong Remonstranten werd nog niets gehoord.
      Wij kozen een minder gebruikelijke manier
      Om iets te vertellen van Mevrouw Pleijsier.
      Misschien zult Ge in het begin wat raar zitten kijken,
      Onze bedoeling zal U echter weldra blijken.
      I is de inzet van dit dwaze geheel.
      De letters komen hier zwart op geel.
      Wat het resultaat zal zijn, ziet U straks aan deze lijn.
      V is het vraagteken, dat in het programma staat,
      U zult dra begrijpen wat gebeuren gaat.
      V is de vraagbaak, die zij voor ons was.
      Een stem: "Wie preekt er Zondag in de kerk?"
      Allen: "Vraag het aan de kosteres."
      "Wie is de secretaris van het Jongerenwerk?"
      "Waar is de sleutel van het kastje van het koor?"
      "Wie is er met de suiker van de Ouderenkring vandoor?"
      Wie moet ons dit alles toch vertellen,
      Als wij het straks zonder haar moeten stellen?
      P zijn de preken, zoo veel door haar gehoord,
      Voortaan kan zij luisteren, door geen zorg gestoord.
      Zorgen door een zonnestraal, die naar binnen schijnt,
      Waardoor dan de aandacht tijdelijk verdwijnt.
      Stil en ongezien vaak trekt zij aan het koord,
      En men kan weer luisteren naar het gesproken woord.
      R is de rij van zwarte mannen
      Die dames uit hun midden bannen.
      Zij rennen plechtig door de kerk,
      En maken van hengelen hun Zondags' werk.
      K is de koffie na de preek, gereed op het juiste uur.
      Wie verlangt er meer naar, de dominee of het bestuur?
      De collectanten, dat zijn de beste klanten.
      Dat geeft voor de koster enorm veel werk.
      Voordat ieder zijn plaats heeft gevonden
      Liggen de gangen vol met gewonden.
      U is de uitgang, waar zes nette heeren
      Het binnenste van hun hoed naar buiten keeren.
      De bedoelig is dan, begrijp dat goed,
      Dat Gij met Uw beurs hetzelfde doet.
      R is de redding, die Gij voor ons waart,
      Als wij soms met te veel vaart
      Dingen wilden doen, die bij nader inzien
      Beter anders konden worden gedaan, misschien.
      S is de slang, waar de bijbel van spreekt,
      En waar Zondags de dominee wel van preekt.
      Of de slang ja, dan neen, te spreken wist,
      Is iets wat nog maar steeds wordt betwist.
      Dit echter is een vulling van het blad,
      We wisten voor deez' S niet beters dan dat.
      W is het werkverband, dat steeds geniet
      van de kamers, die de kerk het biedt.
      Wij hopen zeer dat ook dit bloeie,
      Opdat er een krachtig' gemeente uit groeie.
      U dat bent U, die met vriendlijk gelaat
      Voor een ieder altijd weer klaar staat,
      Hetzij binnen of buiten de kerk,
      Niets was voor U te veel werk.
      Daarom zullen w'U noode missen,
      Want zullen we ons niet vaak vergissen
      In dingen, die U vroeger zoo gemakkelijk deed lijken,
      Maar die nu erg ingewikkeld blijken?
      O is het orgel, waar zoonlief op speelt,
      En waar nu en dan koor of solist bij kweelt.
      Het piept, het steunt, het zucht en het kraakt
      Knap is hij, die daar muziek op maakt.
      R is de regelmaat
      Waarmee zij je aderlaat,
      Met dat dubbeltje, weet U wel?
      Voor elke plaats, die niet is betaald
      Wordt er een dubbeltje opgehaald.
      B zijn de baby's, die zij steeds is voorgegaan
      Wanneer zij hun intrede in de kerk hebben gedaan.
      Y is het ijs, dat de winter ons bracht,
      Lang gehoopt, maar niet zoo verwacht.
      Het bracht alweer veel rompslomp mee,
      Maar in de behaaglijke kerk was ieder tevree.
      Wel kwamen er velen, die men anders hier ziet
      Door gladde straten en dergelijke niet.
      Wie wel kwam, vond dan ook hier
      'T resultaat van de zorgen van Mevrouw Pleijsier.
      R is de rust, die Ge nu gaat genieten,
      Dus daarom nu geen tranen vergieten.
      Een afscheid blijft het, maar alleen van Uw werk,
      Want wij zien U vast nog vaak in de kerk.
      M is de moeder van 5 Pleijsieren,
      Waarvan drie Remonstrant in hart en nieren.
      Eén is nu koster, één organist,
      Voor de derde men niets dan het "herderschap" wist.
      L is het lief en het leed, gedeeld met onze kerk,
      In de vele jaren van haar onvolprezen werk.
      Moge in ieders herinnering voort blijven leven
      Wat Mevrouw Pleijsier, vol toewijding, de kerk heeft gegeven.
      O is Oudjaar, een heel volle kerk.
      T is de toga, zorgvuldig door haar geborsteld en ontpluisd,
      Waarna deze weer tot Zondag in de kast verhuist.
      W dat is Wim, die nu tracht
      De orde die zijn moeder bracht
      Zoo goed hij kan voort te doen leven,
      Waarvoor hij zich geheel zal geven.
      S zijn stoelen waarop geen spijkers prijken,
      Iets, wat ook U zult kunnen bereiken.
      Wie zes pop per jaar op de giro stort,
      Maakt, dat hij eigenaar van een zitplaats wordt.
      Ge haalt het er echter in een jaar vast niet uit,
      Maar denk dan: de kerk gaat er mede vooruit.
      L is de leegte, die Gij en wij wel eens zullen merken,
      Al zult Ge U zeker niet tot nietsdoen beperken.
      Het huis blijft trekken door familiebanden,
      De kosterij blijft in Pleijsierige handen,
      H is de hulde, hier vanavond gebracht,
      Ik hoop niet, dat U veel nog verwacht,
      Want enkele letters ontbreken nog maar,
      Voordat het antwoord is openbaar.
      E daarvoor een heele hoop erkentelijkheid.
      Gelukkig, daar zijn we nu alle "e's" mee kwijt.
      U ziet dus dat de oplossing niet moeilijk was,
      Ja, zelfs zoo helder als glas.
      De naam, die U hier voluit ziet staan,
      Heeft en zal nog veel door Uw herinnering doen gaan.
      Een kerk zonder dominee is niet veel,
      Maar een kerk zonder koster is een ord'loos geheel.
      Maar elke koster is nog geen Mevrouw Pleijsier,
      En daarom willen wij geven hier
      Een beeld van wat zij is geweest:
      Een altijd behulpzaam' en dienende geest.
      Wij hopen, dat wij hierin zijn geslaagd,
      En niet te veel van Uw geduld hebben gevraagd.
      (De letters speldde uit: "Mevrouw Pleijsier-Verbeek Wolthuijs"-AP.)
      Dan spreekt een der jongeren:
      "Mevrouw Pleijsier, ik ben een van de drie vraag teekens van het programma, en het woord, dat ik tot U richt, spreek ik namens het werkverband der jonge Remonstranten. Toen ik vanavond hier luisterde naar mijn voorgangers, toen heb ik zoo nu en dan wel op willen springen en zeggen: jammer, dat had ik nu gedacht te zeggen, maar achteraf vind ik het heelemaal niet erg, want ik had het toch niet alles kunnen zeggen. Ik zal nu ook niet probeeren hetzelfde met andere woorden te herhalen, of probeeren een paar annecdotes op te halen, want daarvoor kennen wij elkaar tenslotte, geloof ik, nog niet lang genoeg. Maar er is een ding, dat ik wel zou willen zeggen, en dat is dit, dat wij het allemaal buitengewoon prettig vinden, dat wij hier vanavond de gelegenheid hebben om iets te vertellen van onze waardering en van onze dankbaarheid.
      En dan zult Ge misschien zeggen: maar ik heb met de jongeren toch nooit zoo veel te maken gehad, dat een dergelijke dankbaarheid zou moeten bestaan. Maar dat is heelemaal niet waar, want wat U voor ons is geweest, dat is samen te vatten in een woord: gastvrouw. En dat is nog niet eens voldoende, want U was meer dan gastvrouw, U was onze voortdurende gastvrouw,of wij nu, nog voordat wij het werkverband waren opgenomen, toen wij op catechisatie waren en in de catechiseerkamers sociëteit hielden, en U laat op moest blijven omdat wij niet weg wilden gaan, of dat wij Zondags in de kerk kwamen, U was altijd weer onze gastvrouw. En zooals elke gastvrouw een sfeer schept, die wij prettig of niet prettig vinden, Uw sfeer was altijd zoo, dat wij het buitengewoon prettig gevonden hebben. Wij hadden dat wel kunnen zeggen, maar dat doe je zoo niet, en als wij het dan nooit gedaan hebben, doen wij het nu, en daarom vinden wij het prettig, dat wij vanavond daartoe in de gelegenheid zijn.
      Mevrouw Pleijsier, wij willen het vandaag niet bij droge woorden alleen laten, en hier met ledige handen blijven staan, maar het is helaas zoo, dat wanneer onze erkentelijkheid en onze dankbaarheid groot waren, maar van meer dan bescheiden aard zijn onze kasmiddelen, zoodat ons stoffelijk bewijs van waardering wel ver en ver moest achterblijven bij de geestelijke waardering, waarmee wij tot U komen. Toch hoop ik, dat U deze kleinigheid wel zult willen aanvaarden, niet alleen als een blijvende herinnering aan vandaag, maar vooral als een blijvende herinnering aan het werkverband, en de door het werkverband voor U gevoelde dankbaarheid en genegenheid."
      Dan worden, in den vorm van het ABC verschillende herinneringen naar voren gebracht, die om technische redenen niet te stenografeeren waren en waarvan het manuscript niet te krijgen bleek, waarna eenige kerstliedjes worden gezonden.
      De heer Carriere spreekt:
      "Mevrouw Pleijsier, ik mag als laatste van de sprekers een kort woord tot U zeggen. Toen ik den voorzitter van de commissie verzocht heb als laatste spreker te mogen optreden heb ik dat niet gedaan omdat door mij heenging dat velen laatsten de eersten zullen zijn, en ook verbeeldde ik mij niet dat ik dingen zou kunnen zeggen die nog niet gezegd zouden zijn, maar eigenlijk omdat ik het gevoel had dat het laatste woord moest zijn aan Uw gemeente, die vertegenwoordigd wordt door den kerkenraad. Zie, Gij hebt bijna veertig jaar lang die gemeente gediend, velen van deze gemeente hebben ondervonden dat Ge de eigenlijke beteekenis van Uw ambt hier goed begrepen hebt. Het zou egoistisch zijn om over de zonden van de gemeente spreken, en U zult zeker ook veel goeds van de gemeente hebben ondervonden, en wij zijn er van overtuigd, dat ook deze avond daartoe behoort. Maar als Ge veel goeds van de gemeente hebt ondervonden komt dat voor en groot deel door de wijze, waarop Gij die gemeente tegemoet zijt getred
      Dat woord kan ons, vooral in den tegenwoordigen tijd, ontzettend beklemmen, als wij zien, hoe Christus dagelijks meer gekruisigd wordt, want Christus spreekt hier uit, dat hij deel heeft aan de gemeenschap en dat de minste van zijn broeders tot hem behoort.
      Als jonge vrouw, in de kracht van Uw leven, zijt ge hier gekomen, met Uw man hebt Ge hier gewerkt, toen zijn gekomen de jaren van leed, die Ge met moed hebt gedragen, en nu, nu behoort Ge bij onze kosterij. Dat is misschien het beste wat wij kunnen zeggen van Uw trouw en werklust en toewijding aan Uw werk. Wij zijn U dankbaar voor wat Gij voor onze gemeente hebt gedaan, en vooral ook voor wat Ge van onze kosterij hebt gemaakt, waardoor het mogelijk was die maatregelen te treffen die noodig zijn geworden nu onze gemeente zoozeer is uitgebreid. Wij willen U daarvoor danken,wij willen U een klein aandenken geven en hope, dat Ge, als Ge om U heen ziet, Ge met evenveel genoegen aan de gemeente zult terugdenken als wij aan Uw werk.
      Mevrouw Pleijsier, dan is nu het oogenblik van afscheid nemen gekomen, van Uw werk neemt Ge afscheid, Ge legt Uw werk neer, maar Ge blijft een van de onzen, Ge blijft lid van de gemeente, een gezegend lid, dat weet wat het is de gemeente van Christus te mogen dienen. De kerkenraad heeft gemeend niet beter te kunnen doen dan U een vaste zitplaats voor het leven in onze kerk aan te bieden, wij hopen, U heel dikwijls nog, en heel veeljaren in de kerk te kunnen zien, zoodat allen, die U gekend hebben, zeggen: daar zit onze kosteres, zij was een vrouw, die veel vreugde en veel leed heeft gekend, die haar kruis heeft gedragen op een wijze, die wij allen bewonderen, maar tenslotte heeft geweten van de levenskunst, die verstaat dat in menschelijke zwakheid het leven moet worden geleid en het werk voldoed in den geest van Hem, die onze gemeente volgt.
      Het is mij een groot voorrecht, U deze plaats te mogen overhandigen."
      Dan spreekt een van de Pleijsieren:
      "Dat is een onverwachte gast op het podium. Het zou moeilijk zijn, als ik na zooveel sprekers zelf ook nog moest spreken, omdat het gras voor een groot deel voor mijn voeten is weggemaaid, als ik nu nog met mijn inzichten moest komen. Ik zou dat misschien wel willen, maar zal het niet doen, tusschen moeder en zoon bestaat veel, dat niet uit te drukken is.
      Ik heb hier een andere taak te vervullen, en dat is deze. Iedereen vindt het leuk, thee te schenken, maar er is een groot bezwaar, namelijk dat verschillende melkkannetjes bij de theeschenkerij zoo verschrikkelijk lekten, zoodat men menigmaal dacht: ik wou dat dat ding nu maar eens brak. Maar het kapot te gooien ging toch ook niet. Toen nu mijn moeder evenwel aan de kerkenraad een kleine surprise wilde geven als herinnering aan den tijd, dat zij hier gewerkt heeft, heeft zij eenige melkkannetjes en suikerbakjes laten maken, en wij zouden het erg prettig vinden, als de kerkeraadsvergadering dat zou willen accepteren."
      Dan spreekt Mevrouw Pleijsier:
      "Zeer geachte gemeenteleden--zoo zeg ik het deftig, maar zoo bedoel ik het niet. Lieve vrienden, ik ben bepaald bewogen door al Uw belangstelling en de vriendelijke woorden, die vanavond gesproken zijn, al heb ik mij soms afgevraagd, of ik het zelf wel was. Maar ik stel dat alles zeerop prijs.
      Ik neem nu afscheid van U, van mijn werk, maar niet als lid van de kerk,en ik hoop U allen dikwijls te mogen ontmoeten."
      Dan spreekt de heer De Graeff:
      "Dames en Heeren, wij gaan nu sluiten. Wij sluiten hier een avond, een mooien avond, die bedoeld is en ook uitgevallen is als een doorloopende hulde aan een vrouw, die ons allen in al die jaren iets heeft gegeven.
      Ik zou kunnen zeggen: nu gaan wij dus heen naar ons huis en naar ons werk--U, Mevrouw Pleijsier, gaat naar Uw huis en niet naar Uw werk. En thans wil ik een kleine pleister op die wond leggen. Wij hebben een mooi bedrag bijeen gekregen, en wij willen, dat dat gebruikt wordt voor de inrichting van Uw huis, en nu heb ik iets in mijn zak zitten, dat heel dun is,en daar zit wat in. Ik heb daarmee niet aan het beging van den avond willen komen, maar bewaart U dat nu, en gaat U daarmee Maandag naar het postkantoor in de Appelstraat, dat is dicht bij U in de buurt, en daar kunt Udit bedrag laten overschrijven, hetzij op Uw spaarbankboekje, hetzij op Uw giro. Dit is misschien nog niet het einde, maar de boekhouder heeft het de laatste dagen druk gehad, en alle posten nog niet kunnen afsluiten--het restje wordt U dan sub rosa gegeven."
      Dan wordt de avond besloten met het gemeenschappelijk zingen van Lied 185, vers 1 en 3: (volgens de liederenbundel is dit Lied 245 - AP)
      'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
      U prijzen in mijn avondlied.
      Het zonlicht moge neder dalen,
      maar Gij, mijn Licht, begeeft mij niet.
      Gij woudt mij met Uw gunst omringen,
      meer dan een vader zorgdet Gij,
      Gij milde bron van zegeningen:
      zulk een Ontfermer waar Gij mij.
      Ik weet, aan Wien ik mij vertrouwe,
      al wisselen ook dag en nacht.
      Ik ken de Rots, waarop ik bouwe;
      hij faalt niet, die Uw heil verwacht.
      Eens aan den avond van mijn leven
      breng ik, van zorg en strijden moe,
      voor elken dag, mij hier gegeven,
      U hooger, reiner loflied toe.
      ~~~
    Persoon-ID I00014  Pleijsier | Tak Verbeek Wolthuijs
    Laatst gewijzigd op 25 feb 2012 

    Vader Voorouders Verbeek Wolthuijs, Willem Carel
              geb. 30 mei 1851, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 21 mei 1941, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 89 jaar) 
    Moeder Voorouders Clasener, Hendrika Wilhelmina
              geb. 11 nov 1853, Delft Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 11 sep 1938, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 84 jaar) 
    Getrouwd 05 nov 1879  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Gezins-ID F00053  Gezinsblad  |  Familie kaart

    Gezin 1 Voorouders Pleijsier, Johannes
              geb. 17 mei 1879, Schiedam Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 03 feb 1924, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 44 jaar) 
    Getrouwd 13 aug 1902  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Type: Civiel 
    Huweljksakte Pleijsier-Verbeek Wolthuijs
    Huweljksakte Pleijsier-Verbeek Wolthuijs
    Voor Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs en Johannes Pleijsier
    Trouwboekje Pleijsier_Verbeek Wolthuijs 1
    Trouwboekje Pleijsier_Verbeek Wolthuijs 1
    Trouwboekje Pleijsier_Verbeek Wolthuijs 2,
Kinderen vermeld in trouwboekje
    Trouwboekje Pleijsier_Verbeek Wolthuijs 2, Kinderen vermeld in trouwboekje
    Kinderen 
    +1. Pleijsier, Willemine Caroline
              geb. 22 mei 1904, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 22 nov 1951, Amersfoort Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 47 jaar)
    +2. Pleijsier, Wouter
              geb. 04 apr 1906, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 07 jun 1983, Amsterdam Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 77 jaar)
     3. Pleijsier, Willem Carel
              geb. 18 apr 1907, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 12 mei 1990, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 83 jaar)
     4. Pleijsier, Johannes
              geb. 02 apr 1909, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 04 jul 1924, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 15 jaar)
    +5. Pleijsier, Hendrik Willem
              geb. 27 okt 1911, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 12 mrt 1991, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 79 jaar)
     6. Pleijsier, Antonia
              geb. 27 nov 1914, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 18 aug 1918, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 3 jaar)
    +7. Pleijsier, Ego
              geb. 10 feb 1921, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 13 jun 2004, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 83 jaar)
    Laatst gewijzigd op 1 sep 2009 
    Gezins-ID F00010  Gezinsblad  |  Familie kaart

    Gezin 2 Voorouders Mutters, Martinus Johannes
              geb. 27 aug 1874, Delft Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 09 feb 1933, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 58 jaar) 
    Getrouwd 19 feb 1926  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Type: Civiel 
    Einde partnerschap
    of gescheiden
    09 feb 1933  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Laatst gewijzigd op 11 feb 2012 
    Gezins-ID F00011  Gezinsblad  |  Familie kaart

    Gezin 3 Voorouders Mutters, Johannes Jacobus
              geb. 21 feb 1878, Delft Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats
              ovl. 11 dec 1956, Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats  (Leeftijd 78 jaar) 
    Getrouwd 30 aug 1940  Den Haag Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Type: Civiel 
    Gezins-ID F00013  Gezinsblad  |  Familie kaart

  • Gebeurteniskaart
    Link naar Google MapsGeboren - 30 jan 1880 - Den Haag Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsGetrouwd - Type: Civiel - 13 aug 1902 - Den Haag Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsGetrouwd - Type: Civiel - 19 feb 1926 - Den Haag Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsEinde partnerschap
    of gescheiden
    - 09 feb 1933 - Den Haag
    Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsGetrouwd - Type: Civiel - 30 aug 1940 - Den Haag Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsOverleden - Oorzaak: Diabetes, hersentrombose - 03 feb 1950 - Den Haag Link naar Google Earth
    Link naar Google MapsBegraven - 07 feb 1950 - Den Haag Link naar Google Earth
     = Link naar Google Earth 
    Pin Legenda  : Adres       : Locatie       : Stad/Dorp       : Gemeente/Graafschap       : Staat/Provincie       : Land       : Nog niet ingesteld

  • Foto's
    Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika *1880
    Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika *1880
    Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika *1880
    Verbeek Wolthuijs, Johanna Hendrika *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs *1880
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs<br/>in de 'Oud Hollandsche Kamer'<br/>aan de Laan 20 te Den Haag
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs in de "Oud Hollandsche Kamer" aan de Laan 20 te Den Haag
    Johanna Verbeek Wolthuis,<br/>Carel Pleijsier and Lars George Eek.
    Johanna Verbeek Wolthuis, Carel Pleijsier en Lars George Eek te Laren.
    In Laren, Nederland.
    Kansel in de Remonstrantse Kerk
    Kansel in de Remonstrantse Kerk
    Kosteres na overlijden van haar man.
    Remonstrantse Kerk
    Remonstrantse Kerk
    Kosteres na overlijden van haar man.
    Johanna Verbeek Wolthuijs en Johannes Jacobus Mutters
    Johanna Verbeek Wolthuijs en Johannes Jacobus Mutters

    Documenten
    Column vertrek kosteres deel 1
    Column vertrek kosteres deel 1
    In dagblad "Het Vaderland" op 14 mei 1940 over het vertrek van Johanna Verbeek Wolthuijs als kosteres van de Remonstrantse Kerk te Den Haag aan de Laan. De functie is overgegaan aan haar zoon Hendrik Willem Pleijsier.
    Column vertrek kosteres deel 2
    Column vertrek kosteres deel 2
    In dagblad "Het Vaderland" op 14 mei 1940 over het vertrek van Johanna Verbeek Wolthuys als kosteres van de Remonstrantse Kerk te Den Haag aan de Laan. De functie is overgegaan aan haar zoon Hendrik Willem Pleijsier.
    Column over het afscheid van kosteres Remonstrantse Kerk te Den Haag
    Column over het afscheid van kosteres Remonstrantse Kerk te Den Haag
    In dagblad "Het Vaderland" op 8 april 1940 over het vertrek van Johanna Verbeek Wolthuijs als kosteres van de Remonstrantse Kerk te Den Haag aan de Laan. De functie is overgegaan aan haar zoon Hendrik Willem Pleijsier.
    Uit het bevolkingsregister van Den Haag
    Uit het bevolkingsregister van Den Haag
    Johanna Hendrika Verbeek Wolthuijs

  • Bronnen 
    1. .
      Anneke Pleijsier